De architectuurschilderkunst is een van de zelfstandige genres die zich aan het einde van de zestiende eeuw in de Nederlanden ontwikkelden. Het is een relatief klein genre gebleven, niet in de laatste plaats omdat het schilderen arbeidsintensief was. Kwalitatief goede architectuurschilderijen waren daarom relatief kostbaar. Schilders van fantasiearchitectuur als Bartholomeus van Bassen en Dirck van Delen hebben het in aandacht altijd moeten afleggen tegen de collega’s die bestaande kerkinterieurs uitbeeldden. Dit omdat ‘realisme’ lang een kernbegrip is geweest in de beschrijving en waardering van de Nederlandse schilderkunst. Daniel de Blieck bewoog zich op het snijvlak van fantasie en realisme en wordt vaak gezien als een navolger zonder veel eigen inbreng. Dat dit hem deels te kort doet blijkt uit dit boek.
In het tiende deel in de reeks Zeeuwse meesters uit de Gouden Eeuw, uitgegeven bij de gelijknamige tentoonstellingen in het Stadhuismuseum Zierikzee, staat het leven en werk van Daniel de Blieck (1627-1673) centraal. Nieuwe feiten over de Blieck en zijn werk zijn door het onderzoek voor de tentoonstelling en dit boek boven tafel gekomen. En dat werd tijd, want in ruim een eeuw zijn de publicaties waarin hij met meer dan een enkele regel wordt genoemd op de vingers van een hand te tellen.





Er zijn nog geen beoordelingen.