Wat vertellen handgebaren ons over de Oude Meesters?
De Italiaanse Renaissance, de Vlaamse Primitieven, de Hollandse Gouden Eeuw: de hoogtepunten van de premoderne Europese schilderkunst zijn verbonden door een gemeenschappelijke beeldtaal. Handgebaren zijn in die taal alomtegenwoordig. We komen ze tegen in religieuze kunst, familiegroepen en schuttersstukken. Een van de meest algemene gebaren is de actieve, open hand. Wat heeft dit gebaar ons te vertellen?
In de kunstgeschiedenis is het tot nu toe geïnterpreteerd als een presentatie- of spreekgebaar of als een conventioneel gebaar met weinig betekenis. Het nieuwe boek van Joris Oddens toont aan dat deze verklaringen ontoereikend zijn. Aan de hand van visuele analyse en historisch onderzoek naar de achtergronden van een groot aantal kunstwerken laat Oddens zien dat het openhandgebaar de aandacht vestigt op de kunstenaars, opdrachtgevers en initiatiefnemers van de werken waarin ze voorkomen. Portretten met dit gebaar fungeren dus als signaturen.
Dit inzicht leidt in De zichtbare hand tot nieuwe hypotheses over het werk van beroemde schilders als Giotto, de gebroeders Van Eyck en Rembrandt. Maar de implicaties zijn veel breder: voor talloze slecht gedocumenteerde kunstwerken in openbare collecties kan het ons helpen beter te begrijpen hoe deze werken tot stand zijn gekomen en wie daarbij betrokken waren. Eén aspect dat in het boek wordt uitgelicht is vrouwelijk opdrachtgeverschap. Vaak vermoed maar op grond van geschreven bronnen lastig aantoonbaar, blijken nu de kunstwerken zelf hiervan de stille getuigen.












Er zijn nog geen beoordelingen.